Logo Noorhoff Uitgevers
  • Hoe maak je een goede toets met open vragen? Tien tips om je op weg te helpen!

    • de redactie
    • 27 juni 2017
    • #
    • 0

    In de vorige blog gaven we zeven tips voor het maken van een goede toets. Hierin hebben we het ook gehad over goede open vragen. Maar hoe construeer je die vragen? De volgende tien tips helpen je op weg!

    Tip 1: Neem uw toetsmatrijs als uitgangspunt

    Open vragen maakt u op basis van een toetsmatrijs. Hierin staat bijvoorbeeld aangegeven dat u een bepaald leerdoel met een open vraag wilt toetsen. Ook staat in de toetsmatrijs op welk cognitief niveau u een vraag wilt stellen, afhankelijk van de taxonomie die wordt gehanteerd. Deze gegevens zijn de basis van de toetsvraag. De checklist taxonomie van Bloom van SLO biedt hiervoor handige handvatten.

    Tip 2: Formuleer eerst het normantwoord

    Het klinkt misschien gek, maar bepaal eerst welk antwoord u van uw leerlingen wilt lezen. Formuleer op basis daarvan pas de vraag. Zo voorkomt u dat uw vraagstelling te breed is of ongericht.

    Tip 3: Koppel punten aan het normantwoord

    Bepaal bij het normantwoord meteen hoeveel punten het oplevert als een leerling de vraag volledig goed of gedeeltelijk goed heeft. Geef ook aan hoeveel punten het antwoord oplevert, als deze gedeeltelijk goed is. Wees hierin zo specifiek mogelijk.

    Tip 4: Gebruik het goede werkwoord

    ‘Geef een ander woord voor…’, bevraagt een ander cognitief niveau dan: ‘Verklaar waarom…’. Om ervoor te zorgen dat u de vraag zo stelt dat leerlingen de vraag op het juiste cognitief niveau beantwoorden, helpt het om gebruik te maken van werkwoorden die passen bij dat cognitief niveau (hiervan zijn meerdere handige voorbeelden te vinden op het internet). De vraag ‘Som op…’ bevraagt het kennisniveau, terwijl de vraag ‘Gebruik de volgende formule om…’ toetst op toepassingsniveau.

    Tip 5: Maak de vraag eenduidig

    Een vraag kunt u al snel op meerdere manieren uitleggen. Op Toetswijzer.nl van het CITO staat een mooi voorbeeld:

    • Waarom bepaalt het KNMI elk uur de temperatuur op een groot aantal meetpunten?

    Dit lijkt een prima vraag, maar u kunt op verschillende zinsdelen de nadruk leggen:

    • Waarom bepaalt het KNMI en niet een ander instituut?
    • Waarom elk uur?
    • Waarom de temperatuur?
    • Waarom een groot aantal meetpunten?

    Het is soms moeilijk om te bepalen of een vraag die u zelf heeft geformuleerd eenduidig is. U kunt daarom met collega’s afspreken dat er meegekeken wordt met elkaars toetsen.

    Tip 6: Geef eerst informatie, stel daarna de vraag

    Als u de vraag hierboven opsplitst in informatie en een vraag, voorkomt u interpretaties die u niet voor ogen had. Bijvoorbeeld:

    • Het KNMI bepaalt elk uur de temperatuur. Waarom bepaalt het KNMI de temperatuur op meerdere meetpunten?

    Tip 7: Mijd waarom-vragen

    Eigenlijk kunt u ‘waarom-vragen’ ook beter mijden. Ze sturen namelijk niet zo goed. Op een vraag als: ‘Waarom kwam Hitler aan de macht’, zijn er veel antwoordmogelijkheden:

    • Door het verlies van WO I
    • Door de vrede van Versailles
    • Door de machtigingswet van 1934
    • Door democratische verkiezingen
    • Door de Rijksdagbrand
    • Door de aanwakkerende vreemdelinghaat, opkomst nationaal-socialisme.

    Tip 8: Perk de lengte van het antwoord in

    Geef aan hoe lang het antwoord mag zijn. Als u om een samenvatting vraagt, geef dan aan hoeveel woorden deze samenvatting mag bevatten. Of geef een kader aan waarbinnen een leerling naar een antwoord moet zoeken. Bij een vraag als ‘Waar kun je nog steenkolenmijnen vinden?’ is het handig toe te voegen ‘in Nederland’, of ‘in Europa’, of ‘op de wereld’.

    BxY3DycIgAAVWOP

    Tip 9: Wees concreet in je vraagstelling

    Voorkom voorzichtige formuleringen. ‘Probeer een verklaring te geven waarom…’ is omslachtig geformuleerd. Flauw gezegd zou elke leerling die een poging waagt het volle aantal punten voor deze vraag moeten krijgen. Hij heeft het immers geprobeerd…. En een vraag als: ‘Denk je dat…?’ kun je met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoorden, terwijl dat vast niet uw normantwoord is.

     

    Tip 10: Voorkom onnodig ingewikkelde vraagstellingen

    ‘Cultuurgebonden verwijzingen, (te) lange zinnen en teksten, figuurlijk taalgebruik en het gebruik van verwijswoorden leveren bij minder taalvaardige leerlingen problemen op.’ (Bron: www.toetswijzer.nl)

    Delen is het nieuwe
    vermenigvuldigen

    Reageren is leren!

    Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn met een * aangegeven.

    Er zijn nog geen reacties geplaatst.

    Sluiten