Logo Noorhoff Uitgevers
  • ‘Tussentijds toetsen heeft een positief effect, maar dat hoeft niet altijd voor een cijfer’

    • de redactie
    • 15 december 2015
    • #
    • 1

    In het voortgezet onderwijs wordt flink getoetst: so’tjes, hoofdstuktoetsen, tussentijdse toetsen, spreekbeurten, werkstukken… Voor al deze toetsen krijgen leerlingen vaak een cijfer, die uiteindelijk mede het rapportcijfer bepalen. Maar tussentijds toetsen is juist een waardevolle voorbereiding op een eindtoets als je er geen cijfer voor geeft, maar feedback. Uit onderzoek naar het testing effect - waarop Kim Dirkx in 2014 promoveerde - blijkt dat tussentijds toetsen een positieve invloed heeft op het resultaat op de eindtoets. Toetspunt sprak met haar over hoe je de conclusie van haar onderzoek naar de dagelijkse lespraktijk kunt vertalen.

    ‘Voor tussentijdse toetsen hoef je geen cijfer te geven. Ze zijn bedoeld om leerlingen te helpen, zodat ze straks een voldoende halen’

    Je hebt onderzoek gedaan naar het ‘testing effect’. Conclusie was dat meer tussentijds toetsen een positief effect heeft op toetsresultaten. Moet er daarom meer getoetst worden?
    “Er wordt heel veel getoetst tegenwoordig. Een paar jaar geleden klonk het geluid dat we meer tussentijds moeten toetsen. Inmiddels is er een overkill aan toetsen. Docenten zijn erg gericht op cijfers en leerlingen daardoor ook.
    Tussentijdse toetsen zouden moeten bijdragen aan de motivatie en het zelfsturend leren van leerlingen. Je kunt bijvoorbeeld je onderwijs beginnen met een toets en vervolgens leerlingen zelf laten onderzoeken wat ze al beheersen en waar nog lacunes zitten. Tussentijds laat je leerlingen zichzelf nog een keer toetsen, zodat ze zien hoe ze ervoor staan. Voor beide toetsen geef je geen cijfer; ze zijn bedoeld om leerlingen te helpen, zodat ze straks een voldoende halen. Deze tussentijdse toetsen worden dus formatief ingezet. Niet summatief, zoals nu vaak gebeurt.”

    Dus eigenlijk toets je dan zodat een leerling meer inzicht krijgt in wat hij al kan en nog moet leren?
    “Precies. Daarnaast leert een leerling veel van het oefenen van toetsvragen. En vergeet niet dat wanneer je als docent weet waar je leerlingen staan en weet wat ze nog moeten leren, jij ook beter weet hoe je je les kan inrichten.”

    Je hebt onderzoek gedaan naar de ‘testing effect’ in het voortgezet onderwijs. Wat is dat precies?
    “Het ‘testing effect’ betekent in oorspronkelijke zin dat er iets geleerd wordt door informatie uit je geheugen op te halen. Wanneer een leerling dus toetsvragen beantwoordt, haalt hij informatie op uit het geheugen. Het maken van oefentoetsvragen is in die zin dus een leerstrategie, net als het maken van een samenvatting van de stof of het maken van notities tijdens de les.
    Een voorbeeld van ‘testing effect’ zijn overhoorprogramma’s als flashcards, Wrts of Slim stampen. Met talen worden deze programma’s vaak gebruikt bij het leren van woordjes. Bij andere vakken worden dit soort leerstrategieën veel minder toegepast.
    In Amerika was er al veel onderzoek gedaan naar de ‘testing effect’ en in Nederland nog niet. Daarom is het Welten-instituut hier onderzoek naar gaan doen. Wij wilden weten of dit effect ook bij Nederlandse scholieren in het middelbaar onderwijs optreedt.”

    Hoe heb je dat onderzocht?
    “We deden een experiment waarbij we leerlingen in twee groepen verdeelden. Beide groepen bestudeerden een tekst. De ene groep maakte daarna vragen over de tekst, de andere groep niet. De week daarop kregen beide groepen dezelfde vragen en nog een paar andere vragen. De groep leerlingen die de vragen al een keer hadden gemaakt, maakte de vragen die de week eerder aan bod waren gekomen beter dan de groep die de eerste keer alleen de tekst gelezen had. De nieuwe vragen werden door beide groepen even goed gemaakt.
    Hieruit kun je concluderen dat het een goede leerstrategie is om met een oefentoets te oefenen. Het moeten dan wel dezelfde of vergelijkbare vragen zijn.
    We hebben ook naar de oogbewegingen van de studenten gekeken bij het beantwoorden van de vragen. Bij leerlingen die een tekst nogmaals mochten bestuderen na het beantwoorden van toetsvragen, zagen we dat hun ogen zich bij de tweede keer lezen richtten op de bevraagde feitjes. De ogen van de leerlingen in de controlegroep flitsten alle kanten op. Het tussentijds beantwoorden van vragen helpt leerlingen dus om belangrijke en minder belangrijke informatie te kunnen onderscheiden en zich te richten op de belangrijke informatie.”

    Maar de conclusie dat tussentijds toetsen resultaten positief beïnvloedt geldt dus alleen voor reproductie- of toepassingsvragen?
    “Uit de resultaten van dit onderzoek kunnen we inderdaad alleen de conclusie trekken dat dit voor reproductievragen en eenvoudige toepassingsvragen geldt. Uit ons onderzoek blijkt dat toetsvragen de aandacht sturen. Daar moet je je als docent bewust van zijn. Als je werkt met tussentijdse toetsen, moeten de toetsvragen vergelijkbaar zijn met de vragen die je ook op het eind aan leerlingen gaat stellen. Daarnaast raad ik docenten aan om eerst een toets bij de lesstof te construeren en vervolgens pas je onderwijs in te richten. Dat helpt je een goede lijn aan te brengen in je onderwijs en hoofd- en bijzaken goed te onderscheiden.”

    Welke toetstips wil jij docenten geven?
    “De belangrijkste zijn wel:

    1. Toets niet te veel.
    2. Gebruik tussentijdse toetsen niet elke keer voor een cijfer. Dat veroorzaakt stress bij leerlingen.
    3. Laat leerlingen zelf eens toetsvragen bedenken en neem ze op in je toets. Als ze hebben nagedacht over wat belangrijk is en wat niet en het antwoord kunnen formuleren, betekent dit dat ze de stof kennen.
    4. Gebruik toetsen om je onderwijs vorm te geven. Dus bepaal eerst wat leerlingen echt moeten weten, maak daarna je toets en richt vervolgens je onderwijs in.
    5. Als je echt feitjes wil stampen, maak er dan een spel van. Als er in een les geschiedenis bijvoorbeeld veel weetdingentjes aan bod zijn gekomen, doe dan de laatste minuten van de les bijvoorbeeld een spelletje 1 tegen 100 om de feitjes op een speelse manier te leren. Er zijn ook allerlei online tools, zoals Kahoot! of Socrative waarmee je quizvragen kunt voorleggen.”

    Kim Dirkx is toetsdeskundige bij Fontys Hogescholen. Ze ontwikkelt en geeft trainingen over toetsing. Verder adviseert en participeert ze in toetscommissies en is betrokken bij het lectoraat Eigentijds toetsen en beoordelen van Desiree Joosten-ten Brinke.

    Neem jij tussentijdse toetsen af? Hoe pak je dat aan, en geef je daar een cijfer voor?

    Delen is het nieuwe
    vermenigvuldigen

    Reageren is leren!

    Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn met een * aangegeven.

    1 reactie

    • E.Maaskant
    • 2 september 2016 - 14:10 uur
    Maar natuurlijk, wat een verrassing. Leerlingen die eerder de toetsvragen hebben gezien, kunnen deze beter beantwoorden dan leerlingen die deze toetsvragen niet eerder hebben gezien. De vraag is; wat en waarom toetsen we? Als we toetsen om de leerlingen een hoog cijfer te gunnen: maak dan eerst de toets, geef ze vervolgens les waarbij je de stof van de toets bespreekt, geef ze een oefentoets met vragen die je later in de latere officiële toets weer gebruikt en succes verzekerd. Of je laat hen zelf vragen verzinnen, en geef die in de latere officiële toets. Zelfde succes. Maar de conclusie 'Als ze ... het antwoord kunnen formuleren, betekent dit dat ze de stof kennen' is een foute conclusie. Ze kennen de stof niet, ze kennen het antwoord op de vragen. Als we toetsen om te kijken of de leerling inderdaad de stof begrepen heeft, op niveau zit, te weten waar er hiaten zitten en na een jaar toetsen te weten of de leerling klaar is voor het volgende leerjaar op dat niveau en kansen te hebben geruisloos door te stromen tot het eindexamen, dan zal er een andere strategie gevolgd moeten worden. Ik ben dan wel geen toetsdeskundige, maar wel ervaringsdeskundige. Mijn ervaring heeft mij geleerd: Geef in eerste instantie goed les. Geen feitjes stampen, maar op inzicht trainen. De leerlingen trainen om het geleerde op andere situaties toe te passen. Zelf conclusies te laten trekken, zelf nieuwe situaties uit de praktijk (wat bij bijvoorbeeld aardrijkskunde heel goed mogelijk is, iedere dag opnieuw) laten zoeken bij de stof die op dat moment behandeld wordt, zelf vragen laten bedenken. Vervolgens een toets maken die dat ook toetst; heeft de leerling het begrepen? Kan de leerling het geleerde toepassen op een nieuwe situatie? En het is een open deur dat 'toepassen op een nieuwe situatie' betekent dat je geen vragen kan gebruiken die al eerder zijn gesteld. Sorry Fontys, jullie leiden nieuwe docenten op met bovenstaande theorieën. En dan denken ze ook nog dat ze het goed doen als ze het geleerde in praktijk brengen....
    Sluiten